dinsdag 11 november 2014

Djibouti


Dit is Lake Assal, 155 meter below sealevel, het laagste punt van Afrika.

Gisteravond aangekomen in Djibouti, gelegen op een strategisch belangrijk punt in noord-oost Afrika, in handen geweest van de Engelsen en later van de Fransen, en sinds 1978 zelfstandig. Je ziet nog veel Franse uithangborden en er zijn straatnamen als rue d' Athène en Place de 27 juin. De voertaal is Arabisch en Frans, de mensen op straat vinden het leuk als je groet in het Frans.  
Als je door het land rijdt zie je een vulkaanachtig landschap, spitse heuvels overdekt met losliggende zwarte keien in alle soorten en maten. Afgezien van doornenstruiken is er haast geen vegetatie. 
Je passeert nauwelijks een dorp, af en toe een nederzettinkje, kindertjes rennen naar de weg om te zwaaien en er lopen wat magere geiten en kamelen rond; de meeste mensen wonen echter in de enige stad die er is. Het is een van de heetste landen van de wereld, je vraagt je af, als je uit het raam van de bus kijkt, waar de mensen hier van moeten leven. 3 % van de voedselvoorziening komt slechts uit eigen land.
Enkelen leven van het winnen van het zout uit het beroemde zoutmeer lake Assal.
Daar zijn we vanmorgen in twee en half uur naartoe gereden.

De bevolking bestaat uit hele lange, slanke en hele donkere mensen, er zijn twee stammen.
De vrouwen zijn niet bepaald vriendelijk, zo gooide een vrouw vanuit haar stoel een handvol stenen naar de bus toen we 40 km per uur rijdend door het 'dorpje' reden en maakte een vrouw in de stad agressieve gebaren naar me met een stok, alleen omdat ik een camera in een tas om mijn nek had. 

Er heerst hier een enorme armoede, de mensen op het land wonen in een soort van rondjes van stenen zonder dak, of in een soort van groot ei, gemaakt van big bacs, of onder verongelukte vrachtwagens. Of in de voorsteden in krotten, nog veel opeengepakter en schrijnender dan ik ooit ergens anders gezien heb.

Lake Assal is een zoutmeer, een van de laagste gebieden van de wereld, water vanuit de zee en een binnenwater sijpelt via een inham en verderop ondergronds in een meer. Het is groot, de kleuren zijn prachtig. Het licht groen op aan het einde van een strand, heel mooi, er zijn waterpoelen die een temperatuur hebben van veertig graden C. Er zijn wat kooplui die souveniertjes verkopen, een soort vulkanische stenen en zoutkristallen. De enkele mannen en kinderen die hier rondlopen zijn minstens zo geiïnteresseerd in onze lunchpakketten als in wat centjes. Ik geloof dat bijna iedereen in ons busje zijn broodjes en banaan en yoghurtje heeft weggegeven. 
Toen we vanmorgen vertrokken stapte er een man in de bus, alleen aan de chauffeurs kant van het busje was een deur, hij moest klauteren om zijn plaatsje in te nemen. Hij had een oranje veiligheidsvestje aan en mompelde 'I am your guide', om vervolgens de hele dag geen woord te zeggen. Zodra de bus ging rijden viel hij aan op het eten in een van de lunchzakken die naast de chauffeur lagen, waarschijnlijk had hij sinds de vorige tour niks meer gegeten. In de andere busjes was het net zo gegaan
Op de terugweg naar Djiboutistad kreeg een van de busjes een lekke band, het is ook niet gek in dit rotslandschap. Ik dacht ojee ojee......maar het viel me nog mee hoe snel de band was verwisseld. Er waren dan ook 4 chauffeurs en 4 gidsen en nog 2 veiligheidsmannen die zich er mee bemoeiden!  Het was me wel weer een avontuur. We hadden voor elkaar gekregen dat wij met nog enkele andere passagiers na de tour werden afgezet in de stad om aldaar nog een beetje rond te kijken. Er waren wat winkeltjes, de meeste dicht, twee moskeeën, wat kleermakers en kappers. Veel slapende mensen in portieken. Het leven speelt zich meer af in de vroege ochtend en in de avonduren. Er is een koloniaal deel en een europees deel, alles is vervallen. 
Er is niemand die veel te zoeken kan hebben in Djibouti, je wordt er treurig van. 
Onder de indruk stap ik later weer aan boord van onze boot en de overvloed o.a. van eten. Ik vind het best lastig.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten